De kort-gedingrechter in Amsterdam heeft in juni 2021 een autobedrijf dat een kort geding had aangespannen tegen een bank na het opzeggen van een kredietrelatie in het ongelijk gesteld.

Inval door de FIOD
Op 1 juli 2019 is door de FIOD een inval gedaan bij een viertal autobedrijven. Aanleiding was een groot onderzoek naar BTW-fraude, mogelijk witwassen en valsheid in geschrift bij de export van auto’s. Door de autohandelaren werden (met name) tweedehands leaseauto’s verkocht aan buitenlandse handelaren tegen grote sommen contant geld.  Het BTW-nadeel werd destijds berekend op € 21 miljoen.

Reactie van de bank
Naar aanleiding van de inval heeft er circa twee weken later een gesprek plaatsgevonden tussen de bank en het autobedrijf. Dit was het begin van langerlopende contacten tussen de bank en het autobedrijf. Daarbij heeft de bank beperkingen gesteld aan de hoeveelheid “af te storten” contante betalingen. Het bedrijf heeft hierop gesteld dat zij hierdoor in liquiditeitsnood raakte en werd de bank verzocht het faciliteren van contact betalingsverkeer te hervatten. In februari 2020 meldde het bedrijf dat zij haar bedrijfsvoering had gewijzigd en nauwelijks nog contante betalingen accepteert. Geconstateerd werd echter dat het bedrijf vanaf november 2019 tot en met september 2020 nog ruim € 1,4 miljoen aan contant geld heeft ontvangen, waarvan bijna € 1 miljoen afkomstig uit de verkoop van auto’s naar het buitenland. Uiteindelijk heeft de bank de bankrelatie met het autobedrijf opgezegd per 1 juli 2021 vanwege het niet houden aan eerder gemaakte afspraken, het verstrekken van onjuiste informatie aan de bank en het belemmeren van het cliëntenonderzoek.

Kort geding
De KG-rechter heeft geoordeeld dat de mededeling van het autobedrijf dat zij nauwelijks nog contant geld ontving, niet klopte. Weliswaar is de ontvangst van contant geld afgenomen maar bedragen van € 1,2 miljoen respectievelijk € 1,8 miljoen aan ontvangen verkopen zijn dermate hoge bedragen dat de mededeling “nauwelijks nog” niet de lading dekt. Volgens de rechter is het autobedrijf de gemaakte afspraken dan ook niet nagekomen. Door ook geen gehoor te geven aan het verzoek van de bank om inzage te geven in het strafdossier heeft het autobedrijf het cliëntenonderzoek door de bank belemmerd. Het feit dat het autobedrijf niet vervolgd wordt voor witwassen, maar wel voor BTW-fraude en valsheid in geschrift, kan hieraan niet afdoen. Nog los van de uitkomst van de strafprocedure heeft het autobedrijf door te verzwijgen dat het OM wel van plan was om het bedrijf te vervolgen voor BTW-fraude en valsheid in geschrift het vertrouwen van de bank ernstig geschonden. Het voorgaande betekent dat het gebruikmaken van de bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid niet in strijd is met de zorgplicht van de bank noch naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Rechtsuitspraak